Oude bekenden.

Ook veel oude bekenden gaan schaatsen: Daantje, Swiebertje, Pietje Puk, Gijs Grapjas, Okkie en Klaasje en Flipje uit Tiel. En ook Dick Bruna laat zijn figuurtjes rijden. Stijfkopje schaatst en René leert schaatsen, Elsje, Marijke en Marlieske reden natuurlijk ook.

Wipneus en Pim gaan schaatsen, maar Puk en Muk niet, die gingen als echte Brabanders natuurlijk liever fietsen. Dik Trom schaatst met zijn zoon en Pietje Bell reed ook een keer, maar op kunstschaatsen. Eelke en Pieterjan reden net als de zeven jongens. Arretje Nof schaatste om de hand van zijn bruid.

Alle fictieve helden uit onze jeugd gingen schaatsen. Je ontdekt dat als je verzamelt. Schaatsen hoort bij een jeugd in Nederland. We herinneren ons allemaal de uren dat we als kind op het ijs stonden. Elke twee minuten moest je die oranje banden van je houtjes weer aanstrikken. Maar bijzonder was het, zo bijzonder dat we geneigd zijn te denken dat het vroeger vaker vroor dan nu. Dat is niet zo. Winters blijven heel vaak uit, dat is van alle tijden.

Fragment uit Swiebertje wordt geholpen (later uitgegeven als Swiebertje en de ijspret):

Verderop, daar waar het meertje een beetje smaller wordt daar staat het vol mensen. Wat is daar te doen? Allemaal wapperende vlaggetjes. Overal lachende en tevreden gezichten. Aha! Daar staat 't chocoladetentje. Daarom is het er zo druk. Daarom zwieren de mensen steeds af en aan.

In het tentje achter de toonbank staat Swiebertje. Zijn gezicht glundert van genoegen. Hij komt handen tekort om al die dorstige mensen te helpen. Een mooie zwarte jas heeft hij aan. In het knoopsgat prijkt een grote papieren bloem. De hoge hoed op zijn hoofd is versierd met rood-wit-blauw-lint dat vrolijk wappert in de blazende wind.

De houten toonbank ligt bezaaid met blinkende dubbeltjes. En er komen er steeds meer bij. En Swiebertje's stem is hees van het roepen. 'Sjokke-sjokke-sjokke-heerlijke lekkere gare sjokkela! Heila-heila-heila-heila! Ik heb de alderlekkerste sjokkela! Een duppie de fijne sjokkela!