Annie S. Bergsma. De avonturen van een schaatsenrijdster. Illustraties Miep de Feijter. Kluitman, Alkmaar, 1936.

Het boek is volledig gewijd aan het schaatsenrijden. Eerst moet Wiekje het rijden onder de knie krijgen, daar getuigt de voorplaat van, dan aan de wandelstok van vader. Ten slotte aan het haakje - dat is de stok waaraan de schaatsen in de zomer op zolder hangen - de eerste schaatstocht naar oom en tante. Er is een hardrijderij waaraan haar broers meedoen. En tot slot nog een spannend nachtelijk avontuur in de hut van de houthakkers.

Wiekje gaat mee op een schaatstochtje:

'Wiekje moet maar in het midden, hè vader?' zei Sjoerd, toen ze weg zouden rijden. 'dan kunnen we haar niet verliezen.' Hij was al acht jaar en vond zich dus een hele kerel, bij Wiekje vergeleken. Vader knikte. 'Dat is best. Jij moet maar goed op haar passen, want ik kan het niet doen. Ik moet voor me uit kijken.' Daar reden ze heen; aan het haakje: eerst vader, dan Wiekje, dan Sjoerd. De haak liep heel schuin van vaders arm naar die van Wiekje. Maar Wiekje hield hem stevig vast. Ze deed haar best om met vader in de maat te rijden. Links, rechts. Links, rechts.

Om één uur 's middags was Wiekje klaar voor de tocht. Het haakje, waaraan de schaatsen hingen, hield ze onder de arm. Elske was mooi op tijd. Samen stapten ze naar de vaart, waar ze hun schaatsen aanbonden. Vader en moes keken hen na. Ze droegen beiden een witte trui en muts en een donker, wippend rokje. "Jullie moeten bij licht weer thuis zijn, meisjes," waarschuwde moes. "Om vier uur," voegde vader er aan toe. "Ja, dat zei mijn vader ook," riep Elske. Ze keken nog een paar keer om en wuifden.